We weten maar niet van ophouden

Toen ik naar de kapper fietste bedacht ik dat ze daar nog niet wisten van mijn zwangerschap. De laatste keer dat ik er was, was nog voordat je er iets van kon zien en ik voelde ook geen behoefte om het te delen. Het zijn heel aardige meiden hoor, maar ik kon hun commentaar al horen. ‘Nummertje drie? Sjonge, jullie weten ook niet van ophouden’.
Niet dat je dit soort opmerkingen niet veel vaker hoort. Dáár zit ik op zich ook niet mee. Het probleem ligt vooral bij mezelf. Dat ik soms op de automatische piloot zo dom reageer op zulke uitspraken. Ik neem ze bij wijze van spreken de woorden al uit de mond. Ze hoeven niet te zeggen dat we niet van ophouden weten, als er een halve seconde stilte valt in het gesprek zorg ik daar zélf wel voor. ‘Zo, weer zwanger?’ zegt iemand, en ik antwoord: ‘Ja, het kan ons niet snel genoeg gaan’. Het heeft zelfs al een paar keer op het puntje van mijn tong gelegen om te zeggen: ‘Ja, we lusten er wel pap van’. Gewoon, omdat het in me opkwam en ik nu eenmaal niet veel tijd neem tussen denken en zeggen.

‘Zo, zijn jullie weer bezig geweest?’ zei de kapster, terwijl ze een frisgeurende shampoo in mijn haren masseerde.
Ik wist even niet waar ze op doelde.
Een knikje naar mijn buik. ‘Bol buikje weer!’
‘Ja’ lachte ik. ‘De derde alweer’
‘Jongejonge’ zei een andere kapster. ‘Hoe oud heb je ze nou; twee, één en nu weer een baby?’
‘Nou, nee hoor!’ protesteerde ik. ‘De oudste is al bijna vier en de jongste is net twee geworden’.
Ze keek me aan met een blik van ‘jaja meid, geloof je het zelf’.
‘Echt hoor’ zei ik nog een keer. ‘Zo snel gaat dat’
‘Het is ook wel leuk’ zei de kapster met een wat weifelende stem. ‘Denk ik tenminste, als je ze een beetje dicht op elkaar hebt’
‘Heel leuk’ zei ik stellig. ‘Dat is echt hartstikke leuk’.

Het belletje van de voordeur rinkelde. Er stapte een vrouw naar binnen met een wild krullende haardos, op de voet gevolgd door een poedel met precies hetzelfde kapsel. Spit-ting image. Het zouden zusjes kunnen zijn.
‘Ben je daar weer Binkie?’ riep een kapster. Ze stoof op de hond af en sloot hem in zijn armen. ‘Is ie nou zo dik geworden of is zijn vacht zo gegroeid?’
‘Zijn vacht denk ik’ zei het baasje, terwijl ze haar hand door haar krullenbos haalde.

Via de spiegel zag ik een vrouw achter me ongeduldig om zich heen kijken. De pieper van haar droogkap was allang afgegaan, maar niemand bleek zich om haar krulspelden te bekommeren. Ze leunde wat voorover en achterover. Ze bracht haar hoofd tot vlakbij de spiegel en trok voorzichtig aan een speld. De krul viel los. Weer keek ze even om zich. Toen begon ze als een wilde spelden te trekken. Het haar viel in kurketrekkers langs haar hoofd.

‘En, hoeveel weken moet je nog?’ zei de kapster.
Zie je die vrouw niet die op haar hondje lijkt, wilde ik zeggen. Zie je die vrouw niet die zelf haar krulspelden uittrekt. Maar terwijl haar vaardige handen de kapperschaar door mijn haar haalden liet ik gelaten mijn schouders hangen.
‘Nog veertien’ zei ik. ‘Tja, we weten maar niet van ophouden’.

  1 comment for “We weten maar niet van ophouden

  1. Els
    12 sep ’11 at 20:34

    Ow irritant ja…net als ik op t einde van mn zwangerschap. Als ik dacht dat ik mensen zag kijken naar mn buik van ‘WOW, DIE IS DIK!’ dan zei ik maar vast; ‘jaja tis een groot kind’ om ze maar voor te zijn…wat ik ook weer irritant vond van mezelf …. ;)
    Maarruh….leuk nieuw kapsel? =)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.