Ik zend een stille smeekbede uit

Lauren, Mathis en ik maken een klein uitstapje naar de bakker. Het is met recht een klein uitstapje, want de bakker zit bij ons op de hoek van de straat. We komen er vaak voor krentenbollen, croissantjes of een puddingbroodje.
Mathis zit in de buggy en Lauren fietst op haar eigen driewielertje. Het is een van de laatste keren dat ze op dit fietsje rijdt, want er staat inmiddels een ander fietsje klaar, een echte, met zijwieltjes en een bel met spongebob aan het stuur. Niet nieuw nee, dat niet, zelfs een beetje roestig en bekrast, maar om Lauren te citeren: ‘Dat geeft niet’. Want het belangrijkste is dat ie het doet, en reken maar, dat doet ie. Ze vliegt ermee over de stoep. Het is nog wel een beetje spannend allemaal, want ze schiet echt alle kanten op, haar fiets beweegt gewoon mee in dezelfde richting als haar hoofd en dat kan zomaar tegen de zijkant van een auto of een betonnen paaltje zijn. En ze kan remmen. In volle vaart kan ze ineens haar pedalen naar achter trappen, en dan loop je als moeder gewoon dom door te rennen terwijl je kind 50 meter achterblijft.
Maar nu is ze nog op haar driewielertje, en dan gaat het lekker kalmpjes aan. We parkeren hem bij de ingang van de bakker en nemen de buggy mee naar binnen. Meteen begint Mathis luid te grommen. ‘Wat is er vent?’ vraag ik zachtjes, en ik friemel voor de vorm even aan de riempjes van de buggy. Hij duwt mijn hoofd aan de kant, strekt zijn nek en gromt nog harder. En dan valt het kwartje: Mathis ziet eten. En niet een klein beetje, maar schappen en schappen vol. Broodjes, chocoladecakejes, croissantjes en taartjes. Eten everywhere.
We zijn nog niet aan de beurt. Lauren klimt in de vensterbank, waar ze voorzichtig de nepbroden aanraakt die daar liggen uitgestald. Mathis begint kreten te slaken en wild met zijn benen te trappelen.
In de hoek tegenover de toonbank staat een stoel, en daarin zit een jongetje. ‘Wil jij een eierkoekje?’ vraagt de bakkersvrouw aan hem. Hij schudt verlegen zijn hoofd. ‘Vraag het aan ons, vraag het aan ons’. Ik zend een stille smeekbede uit, want ik kan de ijselijke kreten van Mathis geen minuut langer verdragen. De bakkersvrouw leunt over de toonbank. ‘Wil jij een eierkoekje?’ vraagt ze aan Lauren. Die komt al aanlopen met uitgestoken hand. Mathis maakt intussen stikkende geluiden, zijn ogen rollen terug in hun kassen. ‘Eh…’ begint de bakkersvrouw voorzichtig. ‘Wil hij er misschien ook eentje?’ ‘Ja, doe maar hoor, ja’ zeg ik gretig.
En ik neem de eierkoek uit haar hand, en prop hem in de opengesperde mond van Mathis, en eindelijk kunnen we allemaal weer ademhalen. En als we weggaan krijg ík ook nog een stukje koek mee om te proeven. Je begrijpt, dat is even een intens geluksmoment zo zomaar op de stoep bij de bakker, met onze wangen vol eierkoek en onze tas vol verse broodjes.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.